Is de politie wel geïnteresseerd in sociale veiligheid?

Je gaat aan het eind van de zondagmiddag naar een verjaardagsfeestje van vrienden in Amsterdam. Waar je anders altijd er aan denkt om de TomTom uit de auto mee te nemen, vergeet je het nu. Stom, maar het gebeurt. En net die ene keer ben je ook goed de klos. Als je naar huis wilt, zie je dat de zijruit van je auto is ingeslagen. Binnen en buiten de auto allemaal kleine stukjes glas. En natuurlijk de TomTom weg, uit het dashboard gerukt. De dader is niet zomaar te werk gegaan. Hij of zij heeft eerst geprobeerd om met een koevoet de ruit open te krijgen. Dat is kennelijk niet gelukt. Daarom is de ruit maar met een steen ingeslagen. Die moet nog door de auto heen zijn gestuiterd, want de binnenbekleding is op veel plaatsen beschadigd.

Bij mijn auto bel ik meteen 112. Mis, want daar zijn ze niet voor. Ik moet maar een ander nummer bellen, dat ik in de stromende regen in het donker probeer op te schrijven. Dan lijk ik wel door honderd voice responses heen te moeten. Ik krijg uiteindelijk een mevrouw van de politie in Amsterdam aan de lijn. Zij zegt direct dat ze aan dit soort gevallen niets doen. Ik vraag haar waar ze wel wat aan doen. De politievrouw zegt me op een strenge toon dat ik niet luister en dat ik mijn verzekeraar maar moet bellen (op zondagavond). Ik bel naar de OHRA, waar wonderwel wordt opgenomen. Die verbindt mij door naar Autotaal Glas. Er komt een ploeg van dit bedrijf naar me toe, die ter plekke een noodruit inzet. De volgende dag zet autobedrijf Preuninger in Den Haag een definitieve ruit in mijn auto. OHRA zorgt er voor dat alle schade op een goede manier wordt afgehandeld. Al met al een paar duizend euro schade voor een gestolen TomTom, die misschien wel tien euro opbrengt. En, de politie lijkt hier niet zo geïnteresseerd in de sociale veiligheid, in tegendeel.

Maar het kan ook heel anders. Wij wonen in een leuk buurtje aan de rand van Den Haag. Nieuwe huizen met moderne voorzieningen. Het hang- en sluitwerk zou ook van het modernste soort zijn. Maar ineens ontstaat een inbraakgolf. Er worden huizen open gebroken en blijkt het hang- en sluitwerk toch niet zo goed als wij dachten. Maar de politie treedt alert op. Zij reageert meteen op de inbraken. Gaat bij de slachtoffers langs. Doet nauwgezet onderzoek naar wie de daders zijn. Vraagt aan de buurtbewoners om verdachte dingen meteen door te geven. Bel gerust 112, de politie komt meteen. Mag ik zomaar 112 bellen? Daar reageren ze in Amsterdam toch anders op! Maar de Haagse politieman zegt, dat dit nummer er is voor de burger. Je ziet ook regelmatig politiepatrouilles: lopend, op de fiets, met auto’s, in uniform en in burger (tja, ook dat valt eigenlijk wel op). Bij de huizen wordt langs gegaan om de mensen te adviseren de kwaliteit van de sloten door een deskundige te laten controleren en eventueel nieuwe sloten te laten plaatsen. De politie toont serieus interesse in de sociale veiligheid van onze buurt.

Zo zie je dat je in de ene stad tandenknarsend en net niet vuurspuwend de desinteresse van de politie moet ondergaan, terwijl in de andere stad de politie haast als vanzelfsprekend je woonomgeving in de gaten houdt. De één spreekt je vermanend toe (“u luistert niet”), de ander vraagt vooral goed op te letten (“belt u gerust”). Bij de één is bellen van 112 ongehoord, de ander nodigt je er toe uit.

Tja, en wat vindt de politie nu van deze tegengestelde ervaringen?